‘t Stad

Ik ben opgegroeid aan een bosrand en woon nu sinds een jaar in de stad.

Op het eerste gezicht een positieve zaak. Neem nu een kledingwinkel: als er geen commerciële beweegredenen achter zouden zitten, zou het de ideale miniatuurwereld zijn. Winkeliers begroeten je alsof het je beste vrienden zijn die blij zijn je terug te zien en ze vragen oprecht of er iets is waarmee ze kunnen helpen. Alleen vragen ze het zo vaak dat het iets engs krijgt.

Ik ga een winkel binnen om een broek terug te brengen die ze mij de vorige keer hebben aangesmeerd en wil mijn geld terug. Dus ik stap naar de kassa met mijn meest joviale blik – die er misschien wat verdacht uitziet – en nog voordat ik iets kan zeggen zegt de kassierster: “Nee sorry. Dat mogen wij echt niet doen. Nee sorry, nee, nee. Ik zég sorry, maar eigenlijk kan het mij niet schelen, want voor mij doet er ook nooit iemand wat. En met mogen bedoel ik eigenlijk willen, want ik wil niet nog meer over mij heen laten lopen. En ik zeg wel ‘wij’, maar eigenlijk voel ik mij hier niet opgenomen in een groep, want als ik geen naamplaatje had, zou niemand mijn naam kennen. Nee sorry, dat mogen wij echt niet doen. Nee sorry, nee, nee en ik blijf dezelfde zin herhalen met dezelfde intonatie, omdat ik niet meer eigenwaarde en empathie heb dan een bandopnemer.” Echte vrienden. Als het erop aankomt doen ze niets voor je.

Als ik uit de winkel kom kan ik maar één richting uit, mee met de betoging, die schreeuwt om verschillende compartimenten in de bus: meer privacy, minder bacteriën. Met slogans als “De lijn. Alleen zijn is fijn”. Aan de overkant van de straat trekt een oud koppel mijn aandacht. Eerst denk ik dat één van hen zich pijn heeft gedaan in de massa, maar dan zie ik dat ze op elkaar overgeven. Want praten had geen zin meer.

Enkele meters verder zie ik mensen kruipend over straat, hard op zoek naar iets. Ik vraag wat ze hebben laten vallen en één van hen antwoordt: “We zijn onze onschuld kwijt!“. Een schaars geklede jongen komt in paniek op mij afgestormd en vraagt mij om één van zijn twee handen te kiezen. Ik zeg ‘links’ en hij roept opgelucht: “Hetero!” en huppelt vrolijk weg.

Opeens leer ik iemand kennen waarvan ik hou. We hebben het leuk samen. Hij zegt dingen als: “Ik blijf altijd bij je” en dan liggen we in een deuk. “Volgens mij zijn wij verliefd,” zegt hij opeens en ik antwoord lachend dat we elkaar toch helemaal niet kennen en hij: “Net daarom”. Dan raak ik hem kwijt.

Even verderop kan ik ontsnappen aan de hysterie en zie ik een overijverige Oxfamverkoper die aan zijn outfit te zien duidelijk gelooft in het concept ‘slechte reclame is ook reclame’. Een vrouw snoert hem de mond en zegt “Neen ik wil niks kopen, ik stort al op het fonds voor de vrijheid van consumptie”, waarna ze hem achterlaat met een blik die blijk geeft van trots om haar gevatte uitspraak. Een moment later struikelt ze, waarbij de neus van haar schoen beschadigd raakt. Ze zal zich graag laten helpen door de verkoper/vriend in de eerstvolgende winkel.

Uit medelijden met de verbijsterde Oxfamverkoper, of misschien eerder omdat ik ergens toch schoonheid weet te ontwaren achter dat lelijke oranje hesje – alhoewel -, verbind ik mij aan een maandelijkse storting. Ook al geef ik niet om wereldproblemen. Ik zou het wel willen, maar ik kan er niet om geven. Ik voel het niet.

Zo moeten alle jongens waarmee ik een relatie heb gehad zich gevoeld hebben. Het wel heel graag willen. Om achteraf die angstaanjagende telefoontjes niet te hoeven krijgen en de vragen waarop ze geen antwoord kunnen geven. “Sjoeke, waaromvragen zijn voor kleuters”, zeggen ze dan. Ze willen het dus wel, maar voelen niets. Zo is dat bij mij met wereldproblemen.

Van al dat praten over Afrika krijg ik honger. Ik ga de supermarkt binnen en kom in de groente- en fruitrayon terecht. Er bekruipt mij een benauwd gevoel, alsof ik in het seksmuseum in Amsterdam in het hok met pornoplaatjes van ezels met spuitende vrouwen ben geduwd. Overal zie ik fallussen: groen, geel, oranje en zelfs gebroken wit.

En zelfs hier krijg ik het gevoel alsof er allerlei dingen van mij worden verwacht. Ben ik wel nat genoeg? Moet ik nu kreunen? Nu? Kan er iemand alsjeblieft het licht dimmen? Is dit nu niet té nat? Sorry maar dit is nu toch echt wel overdreven nat? Mag de muziek luider? Wat gebeurt er eigenlijk als ik niet klaarkom?Daarom verkoopt junkfood zo goed. Een bakje troep roept geen vragen op.

Zonder iets gekocht te hebben, besluit ik de rust op te zoeken van het historisch museum aan de overkant van de straat. Ik schrijd langs vitrinekasten vol gebruiksvoorwerpen, waarvan de herkomst of het nut niet meer bekend zijn. Een telefoon met een draad eraan, enkele gouden trouwringen, de gulden regel ‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’, nog enkele bestofte principes en een verroest geweten.

Op het einde van de hal is de meest recente aanwinst van het museum te bezichtigen. Een dertigtal mensen verdringt zich gefascineerd rond de vitrine. Daar prijkt het pronkstuk aan de muur, verhangen, met afbladderende verf: DE TEVREDEN MENS.

Ik ga weer naar huis. Vroeger was ik heel gefrustreerd om het feit dat alles gesloten is op zondag, maar nu ken ik het voordeel. Zeven dagen per week kan een mens de stad niet aan.

Door: Annelies