Super

Amsterdammers zijn kinderen van Albert Heijn. We leven dankbaar onder zijn blauw met witte vlag. Iedere dag – of meerdere keren per dag – shopt de Amsterdammer met grote nonchalance zijn ontbijt, lunch en avondeten bij elkaar. ‘De Appie’ is er voor alle bevolkingsgroepen, van Excellent tot Euroshopper, en we voelen ons thuis bij hem. Hij is de paus van het Hollands kapitalisme en vader van onze keuken.

Niet voor niets dat ik me in Antwerpen soms ontheemd voel. De Belgen zijn kapitaalketters, hen ontbreekt de lol van het consumeren en ze hebben dus ook geen band met hun voedselpaleizen. Supermarkten zijn duur of discount. Voor een beetje comfort moet je een auto hebben waarmee je naar de Carrefour in Verweggistan kan rijden. Daar sla je voor de godganse week producten in, je ramt je kofferbak dicht en dan heb je het weer een weekje gehad.

De boodschappen in België zijn duur. Een stukje kaas is onbetaalbaar. De melk is niet vers, ze hebben geen Cruesli en er is niets te proeven, niets te stelen, geen gezellige broodmeisjes die in het allochtoons staan te roddelen terwijl ze je verse croissants uit de oven halen…het is om te huilen. Betalen moet je en betalen zul je, deze winkels winden er geen doekjes om.

Dat betalen kan overigens voor nogal wat problemen zorgen. Vaak sta je uren in de rij te fantaseren over een excellent magnetron maaltijd. Ondertussen bereid je je voor: portemonnee in de aanslag, sleutels in je zak, want je moet beide handen vrij hebben. Als de caissière bezig is met de boodschappen moet jij ze alweer aan het inpakken zijn, want er is geen ruimte. Mensen, er is geen ruimte om even in te pakken, een grapje te maken en rustig je pas door de automaat te zwieren. Geen enkele Belg spreekt of kijkt je aan. Terwijl jij zwetend en met een rode kop je spullen bij elkaar zoekt, zwijgt iedereen je meedogenloos dood. Ze hopen alleen maar dat je saldo toereikend is en zuchten onhoorbaar wanneer je groente niet is gewogen.

Na tweeëneenhalf jaar afzien heb ik me er bij neergelegd. Ik heb klantenkaarten aangeschaft. Dat kost in een Vlaamse vestiging wat tijd, en je moet er voor vechten, maar dan krijg je er ook binnen drie weken eentje thuis gestuurd. Ik heb mijn eisen aangepast. Het equivalent van Euroshopper jaagt mij geen schrik meer aan. Als ik naar Nederland ga neem ik op de terugweg een tas met boodschappen mee: kaas, groente, verse pasta, pindakaas. En, het voor mij meest pijnlijke en gruwelijke van alles, ik doe weekboodschappen. Iedere week besluit ik te halen wat ik nodig denk te hebben: verschillende soorten groenten, koekjes, pleepapier, de hele mikmak. Ik zeul de helse boel op mijn fiets en begin de verhuizing. Als mensen me zien met die grote tas vol voedsel denk ik aan Afrika. Dan vervloek ik België en roep in mezelf: Kijk maar. Ga je gang. Dit ga ik deze week in mij stoppen. En inderdaad, dat komt er ook weer uit, want volgende week fiets ik hier opnieuw.

Als ik thuis kom ben ik bijna een echte Belg, opgelucht dat het voorbij is. Op straat zie je mij voorlopig niet. Ik wacht geduldig en met gepaste schaamte op het moment dat Albert Heijn ook dit deel van de wereld heeft veroverd.

Door: Marjolein van der Meer