Een zeemansnacht

Matrozen die over de kasseien zwalken, schunnige liederen zingen, met aan elke arm een goedlachse vrouw in opwaaiende jurk. Na maanden van hijsen en hozen hebben ze weer vaste grond onder hun voeten en vanavond nemen ze het er van. In de verte een accordeon en het klinken van proostende glazen. Een kat die wegschiet in een steegje.

Ik dwaalde vaak ’s nachts door de straten van Antwerpen, maar kwam ze nooit tegen, de matrozen, de vrouwen, de kat. Het Antwerpen dat Wannes van der Velde bezong leek een mythe, een onbestaande fabel. Als ik mensen dronken zag, lagen ze te kotsen in de Schelde. Als ik schunnige liederen hoorde, waren het Holanders. Als ik hoeren zag, stonden ze achter een raam.

Ik had de hoop bijna opgegeven, tot ik laatst van café naar huis stapte. Het was diep in de nacht en ik had van de ene bodem naar de andere zitten staren. Ik moest moeite doen om me staande te houden op de natte kasseien. En zo ook twee vrouwen op hoge hakken die dezelfde richting in liepen. Ik kwam tussen hen in te wandelen en we haakten onze armen in elkaar. Samen strompelden we verder, schaterend van het lachen. Niets vermoedende passanten liepen met een grote boog om ons heen. Toen we voorbij een steegje kwamen hoorde ik ineens een kattenbel rinkelen. Ik grijnsde en zette het schunnigste lied in dat ik kende.

Door: Tiemen Hiemstra