Denkend aan Holland

Toen ik anderhalf jaar geleden naar Antwerpen verhuisde, verwachtte ik aan te komen in een waar cultuurparadijs. Al van jongs af aan associeerde ik België met kunst. België was het land van de goede muziek: Brel, Toots en dEUS. België was het land van Jan Fabre, het land van meisjes met froufrous en bloemenjurkjes. Nederlandse cultuur, dat was Frans Bauer en André Hazes. In België schreef men kunst tenminste nog met een grote K. En verwachting werd waarheid. Zoveel theaters, zoveel musea! Zoveel meisjes met froufrous dat de bloemen op hun jurkjes voor mijn ogen dansten. Het Beloofde Land was bereikt.

Groot was dus de schrik toen ik onlangs een flyer zag van de nieuwe tentoonstelling in de Koningin Fabiolazaal: Hollandse modernen. Het museum voor Schone Kunsten is tot 2017 gesloten voor renovatie en vindt het zonde om haar collectie achter slot en grendel te houden. Zodoende is een deel van de collectie in de Koningin Fabiolazaal te bezichtigen. Prima, begrijpelijk, helemaal voor! Maar als de collectie duizenden meesterwerken omvat, van Marc Chagall tot James Ensor, waarom moet je dan net de Hollandse werken daar tussenuit kiezen? Wat heeft die verdorven molencultuur van mijn vaderland in godsnaam met schone kunst te maken? Maar wie weet zou het allemaal wel meevallen. Wie weet zou het zelfs een opluchting zijn en kon ik mezelf na een bezoek gewoon weer het goede Belgische leven in smijten, zonder schroom voor mijn roots.

Ik spring op mijn fiets. Oh God, daar begint het al, ik spring op mijn fiets. Ik ben zo doorzichtig, al van mijlen ver ziet men mijn Hollandse bloed door mijn Hollandse aderen stromen, traag als door oneindig laagland. Ik fiets naar een tentoonstelling over Nederlandse moderne kunst alsof ik heimwee heb. Alsof ik zo’n Nederlander ben die diep gebukt gaat onder de afwezigheid van Albert Heijn, die aan de toog bier bestelt in plaats van een pintje, die het Vlaams accent zo charmant en schattig vindt, die graag shopt op de Meir en mensen in het gezicht schreeuwt met de vraag ‘of je hier ook ergens kunt pinnen’.
Als ik aan de ingang mijn kaartje koop doe ik mijn opperste best om mijn r te laten rollen. ‘Een kaarrrtje, alstublieft’. En ik zeg ‘merci’ als ik mijn wisselgeld in ontvangst neem. Even voel ik mij trots en ingeburgerd, tot de verkoper zegt: ‘Alstublieft, uw ticketje’. Ticketje, ticketje, natuurlijk ticketje, hoe kon ik zo stom zijn!

Met het schaamrood op de kaken betreed ik de eerste ruimte. En dat begint meteen al goed. Aan de muren hangen enkel zelfportretten. Waarom bescheiden zijn, als je goed kan schilderen?, lijkt het motto. Waarom moet elke Nederlander toch zo zelfvoldaan zijn?, vraag ik mij af. Had het protestantisme ons niet geleerd nederig te zijn? Als ik mijn weg vervolg wordt het nauwelijks beter. Laagland, schapen, molens, burchten, arbeiders met bemodderde gezichten, grachten, nog meer schapen. Het lijkt erop dat zelfs de meest avantgardistische schilders nog een erectie kregen bij het zien van de kale vlakte die zich zonder dijken allang bij Atlantis zou hebben gevoegd.

Pas in de vierde ruimte verschijnt er een eerste glimlach op mijn gezicht. Naakte vrouw van Jan Sluijters. Die dartelende kleuren, die schaamteloze plooien in het vlees. Het doet denken aan Turks Fruit van Jan Wolkers, een lichtpunt in de Nederlandse cultuur. Een toonbeeld van onze vrije geest, onze – alleen hier durf ik in de wij-vorm te spreken – oeverloze tolerantie. En deze lijn wordt voortgezet: Karel Appel, Lucebert’s Kluizenaar… Mijn Vaderlandse trots laait op als nooit te voren. Maar net als ik op het punt sta mij met mijn oorsprong te verzoenen en ik mijn hand op mijn hart leg om uit volle borst het Wilhelmus te scanderen, lopen twee landgenoten langs: Wel een beetje karig hè, voor die 7 euro’.

Het is een onbegonnen karwei. Als je eenmaal de grens bent overgestoken en achteromkijkt naar het land waar je je jeugd hebt doorgebracht, het land dat je nu verlaat, en dan bedoel ik ook echt verlaten, in de zin van dat je niet zeker weet of je er ooit nog zult wonen, dan blijft er niets anders over dan afstand. Een vage mengelmoes van heimwee en schaamte. Ik zal nooit meer echt Hollander zijn, op precies zo’n zelfde manier als ik nooit meer een kind zal zijn.
Als ik het museum uit loop en langs de kassa kom, steek ik bij wijze van afscheid mijn hand op naar de kaartverkoper. Geen ‘doeg’, geen ‘salut’, want zolang ik zwijg, ben ik wie ik ben, geen Hollander, geen wannabe Vlaming, maar gewoon een jongen van twintig, op zoek naar een thuis.

Door: Tiemen Hiemstra

De tentoonstelling is nog te bezoeken tot 26 augustus
Koningin Fabiolazaal
Jezusstraat 28